• Door naar de hoofd inhoud
Hoevestein 7 4903 SE Oosterhout
0162 464 097       
Hoevestein 7 4903 SE Oosterhout
0162 464 097       
Hoevestein 7 4903 SE Oosterhout
0162 464 097       

Van Geel & van der Plas

Header Rechts

  • Home
  • Over ons
    • Over ons
    • Onze diensten
  • Infowijzer
  • Nieuws
  • Vacatures
  • Documenten
  • Contact

Ondernemingswinst

10 september 2026

Een holding trekt ruim € 2 miljoen aan managementkosten af. Deze zijn gefactureerd door een buitenlandse vennootschap, geleid door de bestuurder van de holding. De factuur dateert van maart 2020, bestrijkt 2017 tot en met 2022 en wordt nooit betaald. De inspecteur schrapt de aftrek en de rente over dat bedrag. 

Vijf jaar in één factuur

De vennootschap vormt met twee dochters een fiscale eenheid en verliest in juni 2020 haar enige aandeelhouder. Zijn weduwe is al sinds november 2018 bestuurder en erft de aandelen. Die bestuurder stuurt in maart 2020 via haar buitenlandse vennootschap een factuur van € 2.167.760 aan een dochter, voor het managen van een procedure tegen een bank. De specificatie beslaat 2017 tot en met 2022, dus ook werk dat nog moet gebeuren. Er wordt niets betaald. Het bedrag wordt verwerkt in de rekening-courant.

Wel verzwaard, niet omgekeerd

Over 2020 en 2021 komen de aangiften pas nadat de aanslagen er liggen. Wie de termijn uit de aanmaning laat verlopen, doet niet de vereiste aangifte. De AWR verbindt daaraan omkering en verzwaring van de bewijslast. Toch is de omkering hier niet aan de orde. Omdat alleen de kostenaftrek in geschil is en die bewijslast toch al op de vennootschap rust, valt er niets om te keren en resteert de verzwaring. Zij moet dus overtuigend aantonen dat de kosten zakelijk zijn.

Verleden, heden en toekomst

In die bewijslast slaagt de vennootschap niet. Een factuur die vijf jaar aan verleden, heden en toekomst bestrijkt, noemt de rechtbank zeer ongebruikelijk; het uitblijven van betaling versterkt de twijfel. Een schriftelijke overeenkomst over het gestelde uurtarief van $ 150 ontbreekt, net als een vastlegging van de afspraken uit februari 2020. De onkosten komen elke maand op hetzelfde bedrag uit en ontberen elke onderbouwing. De advocaten die over de inzet van de bestuurder verklaren, zien haar bovendien als bestuurder van de vennootschap zelf. Het vervallen van de aftrek heeft ook gevolgen voor de rente.

Bron:Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:21004 | 20-07-2026

Geplaatst in: Ondernemingswinst

6 augustus 2026

Een bv drijft een uitzendbureau en een klussenbedrijf. De enige aandeelhouder is een vrouw, die samen met haar partner bestuurder is. De bv heeft twee vorderingen die zij in 2020 wil afwaarderen. De eerste vordering van ruim € 74.000 betreft de zoon van de partner. Hij heeft met geld van de bv gegokt op internet. De tweede vordering van € 97.000 betreft de partner zelf, aan wie de bv een lening heeft verstrekt zonder zekerheden. Beide schuldenaren ondertekenen eind 2020 een brief waarin zij verklaren slechts een fractie te kunnen terugbetalen. De bv boekt de vorderingen af als bijzondere lasten. De inspecteur weigert deze afwaardering, waarna de bv besluit de lening om te zetten in een vergoeding voor verrichte werkzaamheden.

Geen reden voor afwaardering in 2020

De rechtbank oordeelt dat de bv niet aannemelijk heeft gemaakt dat er reden is om de vordering op de zoon juist in 2020 af te waarderen. De zoon is in loondienst bij de bv en had de vordering in termijnen kunnen terugbetalen. Sterker nog: in 2022 betaalt hij alsnog bijna € 50.000 terug. Waarom er in 2020 geen afbetalingsregeling is afgesproken, kan de bv niet uitleggen.

Omzetting lening ongeloofwaardig

Voor de vordering op de partner pakt de rechtbank zwaarder uit. De bv erkent in haar beroepschrift dat de lening is omgezet in een vergoeding voor werkzaamheden, uitsluitend omdat kwijtschelding fiscaal niet aftrekbaar zou zijn. De rechtbank acht die handelswijze ingegeven door de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder en haar relatie met de partner, niet door zakelijke motieven. De bv stelt dat de partner cruciale werkzaamheden verrichtte en het boekenonderzoek begeleidde. De rechtbank vindt dat volstrekt ongeloofwaardig. De reguliere beloning van de partner bedroeg in de jaren 2018 tot en met 2021 slechts € 8.000 tot € 14.000 per jaar. Waarom zou hij opeens recht hebben op een extra vergoeding van € 97.000? De aftrek is terecht geweigerd.

Bron:Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:3026 | 16-04-2026

Geplaatst in: Ondernemingswinst

4 juni 2026

Twee vennoten handelen via een vof in Amerikaanse auto-onderdelen. Na een computercrash raken zij hun administratie kwijt. Om de aangifte sluitend te krijgen, waarderen zij de voorraad tegen actuele prijzen in plaats van de historische kostprijs. Het verschil boeken zij via de kapitaalrekening. De inspecteur accepteert dit niet. De herwaardering hoort in de winst. De ondernemer verweert zich met een beroep op de foutenleer.

Vermogenssprong 

De inspecteur constateert dat het eindvermogen van de vof per 31 december 2018 niet aansluit bij het beginvermogen per 1 januari 2019. Het verschil bedraagt € 219.384. De ondernemer verklaart dat dit komt door een computercrash, waardoor veel gegevens verloren zijn gegaan. Om de administratie te kunnen reconstrueren, heeft hij de voorraad gewaardeerd tegen de actuele inkoopprijzen per 1 januari 2021 in plaats van de historische kostprijs. Het verschil heeft hij geboekt op de kapitaalrekening van de andere vennoot.

Historische kostprijs is de norm

De inspecteur stelt dat voorraad fiscaal moet worden gewaardeerd tegen de historische kostprijs. Een herwaardering naar actuele prijzen is in strijd met goed koopmansgebruik. Bovendien mag een herwaardering niet via de kapitaalrekening lopen, maar hoort zij thuis in de winst- en verliesrekening. Door de voorraad op te waarderen en het verschil buiten de winst te houden, verantwoordt de vof in latere jaren een te lage brutomarge en dus te weinig winst.

Correctie beperkt

De inspecteur corrigeert aanvankelijk het volledige verschil, maar herziet zijn standpunt in bezwaar. Uit de administratie blijkt dat de voorraad per 1 januari 2019 is gewaardeerd op € 340.000, terwijl de balans per 31 december 2018 een voorraad vermeldt van € 177.968. Het verschil van € 162.032 is via de kapitaalrekening geboekt in plaats van via de winst. De inspecteur corrigeert daarom dit bedrag. Omdat de ondernemer voor 50% gerechtigd is tot de winst, bedraagt zijn correctie € 81.016.

Foutenleer biedt geen soelaas

De ondernemer stelt dat de oorzaak van het verschil in oude jaren ligt en dat een eventuele correctie daar moet plaatsvinden. De rechtbank verwerpt dit betoog. Ook als de fout in eerdere jaren is ontstaan, kan de inspecteur deze op grond van de foutenleer corrigeren in het oudste nog openstaande jaar. Dat is hier 2019. De totaalwinst moet immers worden belast. Een vermogenssprong die buiten de heffing blijft, is daarmee uitgesloten.

Bron:Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:3452 | 30-04-2026

Geplaatst in: Ondernemingswinst

28 mei 2026

Een yogalerares schrijft zich in februari 2020 in bij de KVK. In haar aangifte vermeldt zij een verlies uit onderneming. Dit bedrag is opgebouwd uit een omzet van € 203, verminderd met zelfstandigenaftrek en startersaftrek en verhoogd met de MKB-winstvrijstelling. Zij vermeldt geen kosten of bedrijfsmiddelen op de balans.

Correctie door de inspecteur

De inspecteur merkt de omzet van € 203 aan als resultaat uit overige werkzaamheden en past de ondernemersfaciliteiten niet toe. De vrouw maakt bezwaar, maar dit wordt ongegrond verklaard. Ook de rechtbank verklaart haar beroep ongegrond.

Winst uit onderneming

Een onderneming vereist een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal die deelneemt aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk om voordeel te behalen. Cruciaal is dat dit voordeel ook redelijkerwijs te verwachten moet zijn. Bij de beoordeling hiervan wordt onder meer gekeken naar de duurzaamheid en omvang van de werkzaamheden, de beschikbare tijd, ondernemersrisico, de omvang van inkomsten en investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.

Geen objectieve winstverwachting

De lerares maakt niet aannemelijk dat zij een onderneming drijft. De omzet (van € 203) is marginaal en er zijn geen kosten of investeringen vermeld. Haar urenoverzichten bestaan uit ronde getallen en veel activiteiten zijn als vrijwilligerswerk omschreven. Er is geen kenbaar bedrijfsplan of realistisch doel. Ook uit de aangiften van latere jaren blijkt geen redelijke winstverwachting. Daarom komt de vrouw niet in aanmerking voor de ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek.

Urencriterium

De vrouw stelt dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel schendt, onder meer door haar niet te wijzen op het versoepelde urencriterium en door de uitspraak op bezwaar te snel te doen. De inspecteur heeft echter niet onzorgvuldig gehandeld. Het urencriterium is niet relevant als er geen sprake is van een onderneming. Bovendien heeft de vrouw voldoende tijd gehad om aanvullende informatie te verstrekken, maar heeft zij dit niet gedaan.

Bron:Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2026:1134 | 13-04-2026

Geplaatst in: Ondernemingswinst

30 april 2026

Een krantenbezorger rijdt jaarlijks ruim 20.000 kilometer met zijn eigen auto, zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. In zijn aangifte brengt hij 40 cent per kilometer in aftrek. De inspecteur staat slechts 19 cent toe. De bezorger distribueert kranten naar depots en bezorgt kranten aan huis. In 2018 rijdt hij hiervoor 20.916 kilometer met zijn privéauto. Hij ontvangt geen kilometervergoeding. In zijn aangifte brengt hij € 8.367 aan autokosten in aftrek, gebaseerd op 40 cent per kilometer volgens de ANWB-tool. Dat bedrag is volgens hem eigenlijk nog te laag, omdat krantenbezorging door het vele starten en stoppen tot extra slijtage leidt.

Wet maximeert aftrek

De bezorger beroept zich op het Convenant Uitgeefsector, waarin staat dat de werkelijk gemaakte kosten in aanmerking moeten worden genomen. Het hof gaat hier niet in mee. Die bepaling geldt voor opdrachtgevers, niet voor opdrachtnemers. Voor de inkomstenbelasting maximeert de wet de aftrek, voor een tot het privévermogen behorend vervoermiddel, op 19 cent per kilometer. Het doet er niet toe dat de werkelijke kosten hoger zijn. De aftrek blijft beperkt tot € 3.974.

Expliciet voorbehoud voorkomt vertrouwen

De bezorger beroept zich ook op het vertrouwensbeginsel. De inspecteur heeft in een eerdere procedure over 2017 zijn aangifte gevolgd. Het hof gaat hier evenmin in mee. De inspecteur heeft destijds expliciet verklaard: ‘Voor dit jaar wil ik de kosten accepteren. Omdat het doorspeelt naar volgende jaren, kunnen er geen rechten aan deze toezegging worden ontleend’. Aan die uitlating kan de bezorger geen vertrouwen ontlenen voor latere jaren.

Twee lessen

Deze uitspraak illustreert twee punten. Ten eerste past de rechter de wettelijke maximering van de kilometervergoeding strikt toe, ongeacht de werkelijke kosten. Ten tweede voorkomt een expliciet voorbehoud bij een toezegging dat de belastingplichtige daaraan vertrouwen kan ontlenen voor latere jaren.

Bron:Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:879 | 31-03-2026

Geplaatst in: Ondernemingswinst

23 april 2026

Een consulente sluit in 2011 een overeenkomst met een relatiebureau voor bemiddelingsdiensten, waarvoor zij een provisie ontvangt. Zij geeft haar inkomsten, variërend van € 11.705 (2016) tot € 17.023 (2019), aan als winst uit onderneming. Na een boekenonderzoek concludeert de inspecteur dat de inkomsten als loon uit (fictieve) dienstbetrekking moeten worden gekwalificeerd. 

Winst uit onderneming?

Het hof oordeelt dat de consulente onvoldoende zelfstandigheid en ondernemersrisico bezit. De consulente is verplicht de formulieren en betalingsafspraken van het bureau te gebruiken. Bij afwezigheid moet zij vervanging regelen via een andere consulent van het bureau. Verder is er geen bewijs van onderhandeling over de provisie. Bovendien heeft de consulente slechts één opdrachtgever, een overeenkomst voor onbepaalde tijd en geen aantoonbaar debiteuren- of investeringsrisico. Ook treedt zij niet naar buiten als ondernemer. De inkomsten kwalificeren daarom niet als winst uit onderneming. 

Fictieve dienstbetrekking 

Het hof concludeert dat er sprake is van een fictieve dienstbetrekking. De consulente verleent tegen beloning structureel bemiddeling om overeenkomsten tussen cliënten en het relatiebureau tot stand te brengen. De consulente werkt exclusief voor het bureau, wordt niet bijgestaan door anderen en haar inkomsten (provisie) zijn direct gekoppeld aan haar bemiddelingsactiviteiten. De navorderingsaanslagen zijn terecht.

Bron:Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:353 | 19-01-2026

Geplaatst in: Ondernemingswinst

  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 7
  • Ga naar Volgende pagina »

Van Geel &
van der Plas

 

Wij hebben +30 jaar ervaring en helpen jou met je administratieve en fiscale uitdagingen

Snel naar:

  • Diensten
  • Nieuws
  • Contact
  • Vacatures

Contactgegevens

Hoevestein 7
4903 SE Oosterhout

 

0162 464 097

 

kantoor@vangeel-vanderplas.nl

© 2026 Van Geel & van der Plas | Realisatie: Probu

Privacyverklaring & AV koppeling

Privacyverklaring  |  AV