• Door naar de hoofd inhoud
Hoevestein 7 4903 SE Oosterhout
0162 464 097       
Hoevestein 7 4903 SE Oosterhout
0162 464 097       
Hoevestein 7 4903 SE Oosterhout
0162 464 097       

Van Geel & van der Plas

Header Rechts

  • Home
  • Over ons
    • Over ons
    • Onze diensten
  • Infowijzer
  • Nieuws
  • Vacatures
  • Documenten
  • Contact

Omzetbelasting

16 april 2026

Een autohandelaar koopt honderden gebruikte auto's van twee leveranciers. Die leveranciers factureren de auto's als marge-auto's. De autohandelaar past daarom de margeregeling toe en draagt alleen btw af over zijn winstmarge. De inspecteur stelt dat de auto's helemaal geen marge-auto's zijn en legt een naheffingsaanslag op van € 3,5 miljoen. 

Hoe werkt de margeregeling?

De margeregeling is een bijzondere btw-regeling voor handelaren in gebruikte goederen. Normaal gesproken berekent een ondernemer btw over de volledige verkoopprijs. Bij de margeregeling berekent hij alleen btw over zijn winstmarge: het verschil tussen in- en verkoopprijs. Dat scheelt flink. Die regeling mag echter alleen worden toegepast als de auto afkomstig is van iemand die zelf geen btw kan aftrekken. Denk aan een particulier of een vrijgestelde ondernemer. Als de auto afkomstig is van een btw-ondernemer, die wel recht heeft op aftrek, is de margeregeling niet van toepassing. Dan moet btw worden berekend over de volledige verkoopprijs.

Transformeren naar marge-auto

In de autobranche worden auto's soms ten onrechte als marge-auto gefactureerd, terwijl ze dat eigenlijk niet zijn. Dat heet in de branche transformeren. Een Duitse leasemaatschappij verkoopt een auto met btw aan een tussenhandelaar. Die tussenhandelaar factureert de auto vervolgens door als marge-auto, zonder btw. De koper past de margeregeling toe en draagt alleen btw af over zijn winstmarge. De btw over de inkoopprijs verdwijnt zo uit het zicht. De autohandelaar in deze zaak kocht tussen 2020 en 2023 honderden auto's van twee leveranciers. Die leveranciers factureerden vrijwel alle auto's als marge-auto's.

Twee situaties, twee uitkomsten

Bij 134 auto's beschikte de autohandelaar over de Duitse kentekenpapieren en verzorgde hij zelf de bpm-aangifte. Bij 227 andere auto's had hij die papieren niet. De rechtbank oordeelt dat dit onderscheid beslissend is. Bij de eerste groep kon de autohandelaar op de Duitse papieren zien dat de auto's eerder in handen waren van Duitse rechtspersonen. Dat had hem moeten alarmeren. Rechtspersonen zijn vaak btw-ondernemers die recht op aftrek hebben. In combinatie met zijn jarenlange ervaring in de branche had hij nader onderzoek moeten doen. Dat heeft hij niet gedaan. De naheffing voor deze 134 auto's blijft in stand.

Zonder papieren geen onderzoeksplicht

Voor de andere 227 auto's oordeelt de rechtbank anders. De autohandelaar had bij deze auto's alleen de facturen van zijn leverancier. Hij beschikte niet over de Duitse papieren. De rechtbank vindt de overige omstandigheden onvoldoende om voor al deze auto's een onderzoeksplicht aan te nemen. De autohandelaar mocht afgaan op de facturen van zijn leveranciers. Hij wordt voor deze auto's gevrijwaard van naheffing.

Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:1847 | 15-03-2026

Geplaatst in: Omzetbelasting

9 april 2026

Een administratiekantoor wordt geselecteerd voor controle door het algoritme 'OB Negatief'. De eigenaar stelt dat dit onrechtmatig is en dat alle bevindingen daarom moeten worden uitgesloten. De rechtbank oordeelt anders. Algoritmische selectie is niet per definitie onrechtmatig. Zolang de uiteindelijke beslissing door een mens wordt genomen en geen discriminerende criteria worden gebruikt, mag de Belastingdienst dit hulpmiddel inzetten. Wie vervolgens geen concrete bezwaren tegen de correcties aanvoert, trekt aan het kortste eind.

Teruggaafverzoek leidt tot boekenonderzoek

Een bv verleent administratieve en fiscale diensten aan ondernemingen. De eigenaar verzorgt zelf de boekhouding en doet de btw-aangiften. Na een verzoek tot teruggaaf over het vierde kwartaal 2022 selecteert het systeem van de Belastingdienst de bv voor controle. Het gaat om het risicoselectiemodel 'OB Negatief'; een algoritme dat negatieve btw-aangiften beoordeelt op de kans dat ze onjuist zijn. De Belastingdienst stelt daarna een boekenonderzoek in over de jaren 2018 tot en met 2022.

Naheffingen en boetes

Het onderzoek leidt tot naheffingen van in totaal ruim € 64.000. De inspecteur constateert dat de bv voorbelasting heeft afgetrokken voor uitgaven die privé van aard zijn. Daarnaast legt hij over de jaren 2019 tot en met 2022 vergrijpboetes op van 25%. De eigenaar maakt bezwaar, maar de inspecteur houdt grotendeels vast aan de correcties.

Algoritme zou onrechtmatig zijn

In beroep trekt de eigenaar alle registers open. Hij stelt dat het algoritme in strijd is met de AVG en Europese rechtspraak. Het zou gaan om volledig geautomatiseerde besluitvorming zonder menselijke tussenkomst. Bovendien stond het algoritme niet in het Algoritmeregister. De selectie zou hierdoor onrechtmatig zijn en daarom zouden alle bevindingen moeten worden uitgesloten. Ook klaagt hij over onrechtmatig binnentreden van zijn woning bij het inleidend gesprek en tot slot over het achterhouden van stukken.

Rechtbank: geen onrechtmatigheid

De rechtbank volgt de eigenaar niet. De Belastingdienst ontvangt jaarlijks 2,6 miljoen negatieve btw-aangiften. Die kunnen niet allemaal handmatig worden beoordeeld. Het algoritme selecteert aangiften met een hogere kans op onjuistheid voor nadere beoordeling door een medewerker. Een mens neemt altijd de uiteindelijke beslissing – wel of geen correctie. Van volledig geautomatiseerde besluitvorming is dus geen sprake. Het algoritme verwerkt alleen zakelijke gegevens zoals aangiftebedragen, betalingsgegevens en bedrijfsgegevens. Bijzondere persoonsgegevens zoals etnische afkomst worden niet gebruikt. De eigenaar heeft ook geen concrete feiten aangevoerd waaruit discriminatie of een ander onoorbaar criterium zou blijken.

Correcties terecht toegepast

De inhoudelijke correcties zijn uitgebreid onderbouwd in het controlerapport. De eigenaar volstaat met de algemene stelling dat de administratie onjuist zou zijn, maar concretiseert dit niet. Ook na inzage in de auditfiles waarop de controle is gebaseerd, benoemt hij geen specifieke fouten. De rechtbank acht de correcties aannemelijk. De boetes van 25% zijn eveneens terecht: het gaat om privé-uitgaven die als zakelijk zijn opgevoerd. Van iemand die zelf fiscale diensten verleent, mag worden verwacht dat hij dit onderscheid kent. De rechtbank spreekt van grove schuld.

Bron:Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:5199 | 18-02-2026

Geplaatst in: Omzetbelasting

5 februari 2026

Bij dga’s en ondernemers die vanuit huis werken en een ruimte verhuren aan hun bv, neemt de Belastingdienst vaak het standpunt in dat bij enig privégebruik niet kan worden geopteerd voor belaste verhuur. In een recente uitspraak nuanceert het hof dit. Beslissend is of het verhuurde gedeelte als woning wordt gebruikt. Als het geheel voor meer dan 70% zakelijk wordt gebruikt en niet als woning dient, is een optie belaste verhuur mogelijk. Daarnaast bevestigt het hof dat verhuur aan de eigen bv tegen een marktconforme prijs een economische activiteit vormt.

Verhuur garage aan bv

Een advocaat en zijn partner kopen een stuk grond en laten daarop een woning bouwen. De woning bevat een werkkamer en een garage die naast elkaar liggen en via een tussendeur met elkaar zijn verbonden. De garage beschikt daarnaast over een eigen uitgang naar buiten. Het samenwerkingsverband van de advocaat en zijn partner claimt aftrek van voorbelasting op de bouwkosten. Het verhuurt beide ruimtes aan de bv van de advocaat en in de huurovereenkomst staat dat de verhuur vanaf het begin belast is met btw. De advocaat verricht in de werkkamer regelmatig werkzaamheden voor de bv. In de garage staan de auto van de zaak en stukken van de bv opgeslagen. De garage wordt voor 79% zakelijk gebruikt.

Optie belaste verhuur

De inspecteur weigert de gevraagde teruggaven. Hij stelt dat er geen sprake is van een economische activiteit, omdat de werkkamer onvoldoende zelfstandig is om aan een willekeurige derde te verhuren. Door het gebruik als woning kan ook niet worden geopteerd voor belaste verhuur. Het hof komt tot een ander oordeel. De wet maakt het mogelijk te kiezen voor belaste verhuur van gedeelten van gebouwen die niet als woning worden gebruikt. Dit geldt volgens het hof ook voor onzelfstandige gedeelten van een gebouw dat voor het grootste deel als woning dient. Partijen zijn het erover eens dat de werkkamer en garage onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en één geheel vormen. Het hof oordeelt dat dit geheel hoofdzakelijk door de bv wordt gebruikt én anders dan als woning. Het privégebruik is ondergeschikt aan het zakelijke gebruik. Concluderend is het hof van oordeel dat belaste verhuur mogelijk is in deze situatie.

Bron:Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2025:3538 | 09-12-2025

Geplaatst in: Omzetbelasting

29 januari 2026

Een holding verhuurt een pand inclusief inventaris aan een bv die een cafetaria en ijssalon exploiteert. De aandelen van zowel de holding als de bv zijn in handen van dezelfde persoon, die ook bestuurder is van beide. De inspecteur besluit om een fiscale eenheid vast te stellen tussen de bv en de holding. Zij voldoen aan de drie vereisten van een fiscale eenheid: financiële, organisatorische en economische verwevenheid.

Financiële verwevenheid

De aandelen in zowel de holding als de bv zijn in handen van dezelfde persoon, die hierdoor volledige zeggenschap heeft over beide vennootschappen. Dit maakt dat er sprake is van financiële verwevenheid.

Organisatorische verwevenheid

De aandeelhouder is via een andere vennootschap tevens bestuurder van zowel de holding als de bv. Dit betekent dat er sprake is van een gezamenlijke leiding, omdat hij voor beide vennootschappen beleidsbeslissingen kan nemen en hun strategieën kan bepalen.

Economische verwevenheid

De holding verhuurt een pand en inventaris aan de bv Dit resulteert in omzet uit deze onderlinge relaties. Deze economische banden zijn volgens het hof niet verwaarloosbaar, aangezien ruim 34% van de omzet van de holding afkomstig is van de bv.

Fiscale eenheid

Het hof beoordeelt deze drie verwevenheden in samenhang en concludeert dat de holding en de bv, ondanks hun juridische zelfstandigheid, zodanig met elkaar verbonden zijn dat zij voor de omzetbelasting als één ondernemer moeten worden aangemerkt. Dit rechtvaardigt het bestaan van een fiscale eenheid.

Bron:Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2025:3540 | 09-12-2025

Geplaatst in: Omzetbelasting

8 januari 2026

Een ondernemer in het Verenigd Koninkrijk verkoopt trapliften die een gelieerde Nederlandse leverancier produceert. Jarenlang past de leverancier ten onrechte het btw-nultarief toe op deze leveringen. De ondernemer ontdekt de fout in 2020 en neemt contact op met de inspecteur om de situatie te corrigeren.

Correctie en verjaring

De ondernemer dient een suppletie in voor het jaar 2016. Na verdere correspondentie geeft de ondernemer eind 2022 het definitieve correctiebedrag door. De inspecteur legt vervolgens naheffingsaanslagen op aan de leverancier voor de jaren 2017 tot en met 2020. Voor het jaar 2016 is naheffing echter niet meer mogelijk, omdat de naheffingstermijn is verjaard.

Factuur en teruggaafverzoek

De leverancier stuurt de ondernemer in januari 2023 een factuur voor de btw-bedragen, inclusief het bedrag voor 2016. De ondernemer betaalt deze factuur en vraagt de btw terug in de aangifte. De inspecteur wijst het teruggaafverzoek voor het jaar 2016 af. De inspecteur stelt dat er voor 2016 geen sprake is van ‘in rekening gebrachte belasting’, omdat de btw bij de leverancier wegens verjaring niet meer nageheven kan worden. De ondernemer had de factuur voor 2016 volgens de inspecteur niet hoeven te betalen, omdat dit al bekend was.

Geen teruggaaf

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur het teruggaafverzoek terecht heeft afgewezen. Omdat de naheffing van btw over 2016 bij de leverancier door verjaring niet meer mogelijk is, is er geen sprake van ‘in rekening gebrachte belasting’ die voor aftrek in aanmerking komt volgens de wet. Het verzoek om teruggaaf van btw die niet verschuldigd is, kan daarom niet worden toegekend.

Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2025:8079 | 18-11-2025

Geplaatst in: Omzetbelasting

23 december 2025

Een algemene machtiging voor het doen van aangiften omvat volgens de rechtbank óók de bevoegdheid om regelingen zoals de KOR aan te vragen. Ondernemers kunnen zich niet verschuilen achter een fout van hun adviseur. De wettelijke minimumtermijn van drie jaar is strikt. Ook het verlenen van een teruggaaf wekt geen gerechtvaardigd vertrouwen, zeker niet wanneer beëindiging van de KOR eerder nadrukkelijk is geweigerd.

Naheffing

Een adviseur meldt in november 2019 een van zijn klanten aan voor deelname aan de KOR. Ruim een jaar later verzoekt de adviseur om beëindiging van de KOR. Hij zou de regeling abusievelijk hebben aangevraagd. De inspecteur weigert dit. De adviseur heeft niet het juiste afmeldformulier gebruikt en daarbij is de wettelijke minimumtermijn van drie jaar nog niet verstreken. 

Op 21 mei 2021 verleent de inspecteur, conform de ingediende aangifte over 2020, een teruggaaf. Ruim twee jaar later legt de inspecteur alsnog een naheffingsaanslag op, bestaande uit de eerder verleende teruggaaf plus de door de ondernemer in rekening gebrachte omzetbelasting.

Was de adviseur wel bevoegd?

De ondernemer stelt dat zij de deelname aan de KOR niet heeft aangevraagd en ook niemand heeft gemachtigd om dit voor haar te doen. De rechtbank oordeelt dat de toepassing van de KOR zodanig samenhangt met het doen van aangiften omzetbelasting dat de machtiging moet worden geïnterpreteerd als mede betrekking hebbend op de aanvraag van deelname aan de KOR. De adviseur heeft zelf aangegeven dat hij abusievelijk de KOR heeft aangevraagd, niet dat hij daartoe niet bevoegd was.

De ondernemer verklaart bij de rechtbank dat zij zich niet kan herinneren dat zij de bevestigingsbrieven heeft gezien, maar dat het in theorie denkbaar is dat zij de brieven heeft ontvangen. Niet blijkt dat zij actie heeft ondernomen om de aanmelding ongedaan te maken. De rechtbank leidt hieruit af dat de ondernemer en haar adviseur oorspronkelijk wel van mening waren dat de adviseur bevoegd was.

Beroep op vertrouwensbeginsel faalt

De ondernemer betoogt dat zij erop mocht vertrouwen dat de verleende teruggaaf juist was. De rechtbank oordeelt dat niet blijkt dat de ondernemer voor 2020 is uitgenodigd tot het doen van aangiften. Voor 2022 ontvangt zij wel een uitnodiging, maar kort daarna volgt een brief dat deze abusievelijk is verzonden, omdat zij in 2022 nog deelneemt aan de KOR.

Belangrijker in deze uitspraak is dat de inspecteur voorafgaand aan de teruggaafbeschikking tot tweemaal toe nadrukkelijk heeft geweigerd de deelname aan de KOR te beëindigen. De rechtbank oordeelt dat de ondernemer aan het enkel volgen van de ingediende aangifte niet het vertrouwen kan ontlenen dat de inspecteur toch een ander standpunt had ingenomen.

Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2025:8458 | 30-11-2025

Geplaatst in: Omzetbelasting

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Pagina 4
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 12
  • Ga naar Volgende pagina »

Van Geel &
van der Plas

 

Wij hebben +30 jaar ervaring en helpen jou met je administratieve en fiscale uitdagingen

Snel naar:

  • Diensten
  • Nieuws
  • Contact
  • Vacatures

Contactgegevens

Hoevestein 7
4903 SE Oosterhout

 

0162 464 097

 

kantoor@vangeel-vanderplas.nl

© 2026 Van Geel & van der Plas | Realisatie: Probu

Privacyverklaring & AV koppeling

Privacyverklaring  |  AV